11 vragen aan Marco Peppel, directievoorzitter J.P. van Eesteren

Geschreven door Liesbeth Wytzes voor Elsevier Weekblad | 5 september 2020
07 sep 2020

1. Wat betekent de coronacrisis voor deze onderneming?

‘Veiligheid is voor een bouwbedrijf natuurlijk allang een topprioriteit. We zijn erg gewend om via protocollen te werken, maar op corona kon niemand zich voorbereiden. Toch waren we heel snel in staat om veilig door te werken, eigenlijk is alles gewoon doorgegaan. We hadden wel ziekmeldingen, iedereen met een kuchje bleef thuis. Er werken hier zo’n 360 man, we hebben ruim honderd bouwplaatsmedewerkers.
‘Maar alles is weer op normaal niveau. Ook onze bouwplaatsen draaiden goed door, dat vind ik heel knap van onszelf. We hebben snel dingen geregeld: vaste groepjes, niet carpoolen, gespreide werktijden. Die anderhalve meter afstand zorgde ook voor risico’s. We hebben al het mogelijke gedaan: de mannen werken veel buiten, dat is een voordeel. Onze grootste angst is dat we moeten stoppen met produceren: als je twee, drie maanden geen facturen kunt sturen, wordt het heel lastig.
‘Een aantal sectoren waarvoor wij werken, is zwaar getroffen. De reiswereld bijvoorbeeld. Wij bouwen hotels.’

2. U noemt zichzelf een productiebedrijf?

‘Niet alleen, we zijn ook een kennisbedrijf. Maar als de bouwplaatsen sluiten, stopt alles. We moesten zorgen dat díe productie doorliep. Ons grote voordeel is dat we voor verschillende sectoren werken. Ja, de reisbranche staat onder druk, maar de woningnood blijft bestaan. De trek naar de stad, hoogbouw in de binnensteden, de zorg: die vraag blijft.
‘We bouwen nu het hoogste hybride houten woongebouw van Europa, HAUT in Amsterdam. Alleen het onderstuk is van beton. Dat typeert ons werk, dat zie je in de hele geschiedenis van J.P. van Eesteren: grote gebouwen en veel innovatie. Opgericht in 1932, de  naam hebben we altijd gehouden. We zijn hier altijd met tastbare dingen bezig, niets is vluchtig. Dit is de eerste keer dat we dit zo doen in Nederland, dat gebouw moet 90 minuten brandwerend zijn. We hebben testopstellingen gemaakt en in brand gezet om te kijken wat er gebeurde en de houten elementen doorstaan onze testen moeiteloos.
‘Er is niet altijd respect voor het materiaal, maar wel voor hout. Op ander materiaal worden tijdens de bouw de meest vunzige tekeningen gemaakt als je niet oppast, maar bij hout gebeurt dat gelukkig niet.’

3. U hebt altijd bij dit bedrijf en onderdelen ervan gewerkt.

‘Mijn cv is vrij overzichtelijk, maar zeker niet saai. Zestien jaar bij ERA Contour, dat bedrijf hoort ook bij TBI. Dat is de holding met allemaal zelfstandige bedrijven. Bij ERA heb ik in veel verschillende functies het vak geleerd. Dat was woningbouw, daar heb ik geleerd met de klant mee te denken, te vragen: moet dit zo?
‘TBI, Techniek, Bouw en Infra, is een heel bijzondere organisatie. Wij concurreren met veel beursgenoteerde bouwbedrijven en familiebedrijven. Onze enige aandeelhouder is een stichting met drie doelen: bijdragen aan de scholing, vorming en studie van kinderen van werknemers, investeren in cultureel erfgoed en in innovatie. In die stichting zitten veel oud-directeuren en het is zo in elkaar gezet, dat het bedrijf niet kan worden verkocht aan een investeerder die voorbij komt. Om het netjes te zeggen. Het is een solide en maatschappelijk betrokken bedrijf.’

4. Wat voor jeugd hebt u gehad?

‘Een heel normale jeugd. Ik ben geboren in Schiedam. Mijn vader was banketbakker, ik heb een zus. Ik wist niet wat ik wilde worden, maar ik had altijd veel belangstelling voor mooie dingen. Ik had gevoel voor exacte vakken, voor creativiteit en design, ik ben erin gerold.
‘Ik was geen goede leerling, echt een stapelaar. Mavo, havo, mts, hts bouwkunde. Ik werd wel steeds beter. Toen ik klaar was met bouwkunde, moest ik als een van de laatste lichtingen in dienst. Dat wilde ik niet en toen ben ik bedrijfskunde gaan doen, dat vond ik gaaf. Ik had twee keer stage gelopen en ik had wel door dat heel veel over geld ging. Dus ik dacht, dat kan wel van pas komen.’

5. Wat vond u leuk aan die bouwkundige opleiding?

‘Dat ging ook al over het tastbare. Iets maken. En ik begrijp hoe een gebouw in elkaar zit, ik zie de opbouw. Constructieleer, berekeningen maken – dat snapte ik. Ik hoefde ook geen ingewikkelde theorieën te leren, dat was niet nodig.
‘Ik wilde dit: aan mooie dingen werken. Ik heb ook heel lang gedacht dat ik beter wilde zijn dan de rest. Een soort concurrentiestrijd misschien. Maar toen kreeg ik steeds meer mensen om me heen die ikzelf beter kon maken en dat vond ik veel gaver.
‘Ik ben bij ERA hoofd realisatie geworden, en ik was de jongste. Maar er was geen gedoe en geen discussie, het was duidelijk dat ik dat ging doen. Ik dacht, die mensen die wat ouder zijn, zullen dat wel erg vinden, maar dat was niet zo. Dat was echt een kantelpunt waarop ik zei: die leidinggevende functie vind ik ook wel gaaf. Mijn focus is toen helemaal gedraaid: het ging niet om mij, maar om een afdeling, of om een project beter te maken.’
 

6. U had zich toen ook al bewezen.

‘Maar ik had ook een soort angst: ik dacht, ik doe dit wel op redelijk jonge leeftijd. Dat is nu meer dan tien jaar geleden. Ik ben nu ook weer een relatief jonge directievoorzitter. Ik heb er zelf misschien meer moeite mee om het een plekje te geven.
‘Na ERA ben ik naar J.P. van Eesteren gegaan, omdat ik de TBI­topopleiding deed en steeds zichtbaarder werd in het concern. Vlak na de fusering met Heijmerink Bouwbedrijf in 2012 werd er een nieuw directieteam samengesteld, terwijl er twee bedrijven bij elkaar waren gezet, dus directeuren genoeg. Toch werd er een nieuw profiel opgesteld en iemand zei: “Eigenlijk zoeken we Peppel, we kunnen het hem ook gewoon vragen, wel zo makkelijk.’

7. Wat een mooie loopbaan eigenlijk.

‘We zien hier mensen binnenkomen met heel veel vertrouwen en twee, drie jaar later komen ze allemaal strubbelingen tegen. Dan zeggen we: laat maar even, dat is wel goed voor de persoonlijke ontwikkeling. Er zijn natuurlijk ook rastalenten die het vanaf jonge leeftijd al kunnen. Ook heel mooi. Maar ik heb in al die baantjes en functies geleerd om door te zetten.
‘Dat heb je nodig, doorzettingsvermogen, en een passie voor het vak. Daar kijken we heel erg naar als mensen bij ons solliciteren. Want je moet wel een sterk hart hebben in deze branche. Er gebeurt zo veel. Voordat een project af is, gaat er van alles mis, of er komt iets van buitenaf waarop je niet hebt gerekend.’

8. Ligt u weleens wakker?

‘Bijna nooit en nooit gedaan ook. Ik kan het goed relativeren en mensen zeggen ook dat ik rustig ben. Ik denk natuurlijk weleens: dit of dat is heel eng. Maar dat zit hem vooral in het gevoel van verantwoordelijkheid voor de mensen die hier werken. Het is toch een gevaarlijk beroep en veel is te beheersen of te repareren als het fout gaat. Maar het blijft mensenwerk. Ze werken voor mij en een ongeluk zit in een klein hoekje.
‘Ik ga zelf ook naar de bouwplaatsen, dan hebben we het niet zozeer over de techniek, maar of het goed gaat met de mensen daar.’

9. Wat onderscheidt J.P. van Eesteren van andere bouwbedrijven?

‘Wij hebben een heel andere sfeer. We maken grootse dingen, maar we zijn een relatief kleine organisatie. We werken veel samen met andere bouwbedrijven, daardoor zijn we een ander type aannemer dan heel grote bedrijven als BAM en Heijmans. Daarmee concurreren we wel. We noemen onszelf de kleine grote bouwer. Omdat we zo bezig zijn om samen te werken, hebben we een ander type mens binnen de organisatie.’

10. Hoe geeft u leiding?

‘Wat mij betreft wordt de organisatie gedragen door de vaklieden, de specialisten. Zij moeten hun vak kunnen uitoefenen, eigenlijk mogen de managers zich daarmee niet bemoeien. Die mogen alleen maar faciliteren. De vakmensen die wij in dienst hebben, weten zo goed hoe het werkt. Die willen alleen maar kwaliteit leveren. Wij zijn niet zo’n hoekige aannemer, zo’n klassieke stereotiepe figuur, maar wij kiezen als een soort TomTom de beste weg door het hele proces. Daarom noemen wij ons vaak regisseur, omdat aannemer echt niet meer het goede woord is.’

11. Woont u zelf mooi?

‘Ik woon in Rijswijk, prima. Ik denk dat negen van de tien collega’s groter en mooier wonen. Ik hoef niet per se een eigen huis te laten bouwen.’