Circulariteit is route naar een écht duurzame bouwsector

04 apr 2018

Duurzaamheid: materialen

Halverwege deze eeuw moet de Nederlandse economie volledig circulair zijn. Dat is de doelstelling van onze overheid. Maar wat houdt het precies in voor de bouwsector en – meer specifiek – voor J.P. van Eesteren?

Binnen de circulaire economie is geen plaats meer voor afval. Alle toegepaste materialen zullen vroeger of later weer de keten in moeten: hergebruikt als nieuwe grondstof. Voor de bouwsector geldt: een gebouw met de grond gelijk maken is niets minder dan het vernietigen van waardevolle grondstoffen. Echt circulair bouwen vereist dan ook dat een gebouw wordt bedacht, getekend, gebouwd, ontwikkeld, gebruikt, onderhouden en gedemonteerd zodanig dat het tot op de laatste schroef kan dienen als basis voor nieuwe projecten.

Urban mining

Door de hele bouwketen vereist dit een nieuwe manier van denken. Architecten zullen alleen nog ontwerpen op basis van beschikbare materialen en vormen, sloopbedrijven zullen veranderen in ‘urban mining’-ondernemingen die bouwmaterialen ‘oogsten’ op wat voorheen sloopprojecten waren. Bouwmaatschappijen realiseren nieuwe projecten op basis van ‘oude’,  herbruikbare materialen. Traditionele verdienmodellen gaan op de schop. Materiaal dat feitelijk tweedehands is, maar door behandeling weer als nieuw, mág dezelfde prijs hebben als een nieuw product. En dat raakt de kern van circulariteit: bestaande materialen en grondstoffen behouden hun waarde, omdat er geen nieuwe meer bijkomen in de cirkel. De term afschrijving zal ook steeds meer naar de achtergrond verdwijnen. Garantievoorwaarden en servicecontracten zullen veranderen omdat ze betrekking hebben op ‘nieuwe’ oude materialen. In plaats van betalen voor bezit, komt in een circulaire economie steeds meer de nadruk te liggen op gebruik. Dat betekent dat contracten tussen opdrachtgever, aannemer en gebruiker er anders uit gaan zien. Bijvoorbeeld op het punt van eigenaarschap. De leverancier blijft eigenaar, de klant betaalt alleen voor het gebruik. Net als afrekenmodellen en de met realisatie en exploitatie gepaard gaande belastingen.

Materialenpaspoort

Het is geen kwestie van óf deze ontwikkeling gaat plaatsvinden, eerder wanneer. De overheid wil in 2030 al een economie die voor 50% circulair is. Het aantal opdrachtgevers dat circulair wil laten bouwen zal dan ook groeien. De eerste gebouwen die deels circulair gebouwd worden, verrijzen inmiddels. Voorbeelden waar J.P. van Eesteren zelf aan het werk is, zijn het QO Amsterdam, een zeer duurzaam hotel in het Amstelkwartier en het nieuwe kantoor van Triodos Bank in Driebergen-Zeist. Bij het hotel is al rekening gehouden met eventuele toekomstige functies van (onderdelen) van het gebouw. Het Triodos-gebouw wordt zelfs remontabel gerealiseerd. Het zou na jaren van gebruik zo zijn weg kunnen vinden naar een andere plek, of in delen naar heel andere, nieuwe projecten. Ook zijn we hier begonnen met het vastleggen van alles wat bij de bouw wordt gebruikt in een zogeheten materialenpaspoort voor het gebouw. In Madaster, een publieke, online bibliotheek van materialen in de gebouwde omgeving, ligt vast uit welke onderdelen een gebouw bestaat. Op die manier is later van elk onderdeel – of het nu gaat om complete raamkozijnen of een enkele schroef – ook direct duidelijk waar het te vinden is en hoe het opnieuw gebruikt kan worden.

Nieuwe manieren van samenwerken

Met TBI-partner bouwmaterialenhandel Stiho onderzoeken we nu al nieuwe modellen van samenwerken als leverancier en bouwer. Stiho staat als partner van het eerste uur in het Urban Mining Collectief aan de wieg van de realisatie van het urban mining-concept. Zij zijn al betrokken bij enkele circulaire projecten en actief bezig circulaire materialen te verweven in hun portfolio. Een proces dat vraagt om behoedzaam manoeuvreren, veel overleggen en een forse dosis lef. Want dat er nog veel moet gebeuren wil Nederland circulair net zo succesvol blijven draaien, is wel duidelijk. Als bouwsector zetten we nu de eerste stappen in wat gerust een kentering genoemd mag worden.